Tegenwoordig tuinieren we met z’n allen in het voorjaar als de zon schijnt. Fijn voor ons, maar niet voor de plant. Tot zo’n dertig jaar geleden was het najaar juist hét plantseizoen.
Om te groeien boven de grond moeten wortels ook groeien onder de grond. In september, oktober of november is de grond vaak nog warm en vochtig. Wortels van planten die in het najaar worden geplant kunnen al goed de grond ingroeien.
Ondergronds gaan plantenwortels een relatie aan met ondergrondse schimmels die mineralen afgeven. Planten die al in oktober/november in de grond gaan hebben en hebben een voorsprong op de planten die pas in april of mei in de (koude) grond worden geplant. De natuur voedt de bodem met vallende bladeren die bouwstoffen leveren voor nog meer groei. Als je in het najaar compost in de bodem werkt, dan worden de nutriënten verteerd door en opgeslagen in het humuscomplex in je bodem. Dat is als het ware de voorraadkast van je bodem, die bovendien zorgt voor een goede bodemstructuur waardoor de bodem wel vocht vast houdt maar niet te zompig wordt. In het voorjaar zijn die voedingsstoffen meteen beschikbaar voor je planten. Met gezonde planten als resultaat.
Alle vaste planten die winterhard zijn kunnen in het najaar de volle grond in. Bomen en heesters plant je liefst vanaf half november, als de sapstromen tot rust zijn gekomen en ze het minst last ondervinden van een verhuizing.